Het artikel is geschreven door J.T. Timmer
1 Inleiding
Het Eigen Initiatief Model (EIM) is een leermodel voor mensen met een verstandelijke handicap. Daarin staat de training van zogenoemde algemene vaardigheden centraal. De kern is dat mensen met een verstandelijke handicap leren âover hun eigen schouder mee te kijken naar wat zij doenâ: dat wil zeggen, dat zij leren zich te oriënteren en hun eigen handelen te controleren en bij te sturen als dat nodig is.
EIM werd begin jaren negentig ontwikkeld door de afdeling Orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen en kent inmiddels verschillende toepassingen in de praktijk. De RuG deed onderzoek naar EIM in de sociale werkvoorziening. Een belangrijke conclusie daaruit is dat toepassing zich zowel dient te richten op training van algemene vaardigheden aan mensen met een verstandelijke handicap, als op het veranderen van de houding van hun begeleiders op die momenten waarop het in de training geleerde aan de orde is. Op grond van de toepassingen van EIM in de praktijk blijkt de houdingsverandering bij EIM-trainers en bij begeleiders thuis, op school of op het werk de belangrijkste voorwaarde te zijn om de positieve effecten van de training op de lange duur te kunnen garanderen.
Op dit moment ontwikkelt de Stichting Molendrift uit Groningen in samenwerking met het ROC Friesland College (in opdracht van de Stichting Beheer Collectieve Middelen van de NOSW) een herziene versie van een EIM-cursus. De hierna volgende tekst is deels gebaseerd op de inhoud van deze herziene versie en draagt daarom een voorlopig karakter.
2 Aanleiding EIM
Aanleiding voor het ontwikkelen van het leermodel EIM waren tegenvallende resultaten van bestaande trainingsprogrammaâs voor het vergroten van de zelfstandigheid van mensen met een verstandelijke handicap midden jaren tachtig. Veel trainingsprogrammaâs richten zich op het aanleren van concrete vaardigheden en de toepassing daarvan in de praktijk.
Voorbeelden zijn leren lassen, leren op welke manier je een specifieke rekenopdracht uitvoert, hoe je een appeltaart bakt, op welke manier je met iemand moet kennismaken, hoe je een deurslot monteert of hoe je moet schoffelen. De belangrijkste overeenkomst tussen deze trainingen is dat een trainer steeds aangeeft op welke manier de betreffende vaardigheid uitgevoerd moet worden. Uit onderzoek en praktijkbevindingen blijkt steeds weer dat mensen veel van dergelijke â soms zeer ingewikkelde - vaardigheden kunnen leren, maar dat zij deze na de training in dagelijkse situaties niet toepassen.
Zelfstandigheid veronderstelt echter niet alleen dat mensen een breed repertoire aan concrete of specifieke vaardigheden beheersen. Zij moeten ook adequaat kunnen reageren op onvoorziene en onbekende situaties. Zij moeten met andere woorden in staat zijn in een willekeurige situatie zelf te bedenken welke concrete vaardigheid zij op welk moment en op welke manier moeten toepassen. Dit blijkt nu juist voor veel mensen met een verstandelijke handicap het grootste probleem te zijn. Begeleiders geven vaak aan dat het na een training âlijkt alsof ze alles wat ze geleerd hebben vergeten zijnâ. Terwijl âAls je maar zegt wat ze dan moeten doen, het zomaar ineens weer terug isâ.
3 Theoretische fundamenten EIM
De vraag is hoe het komt dat mensen met een verstandelijke handicap zoveel moeite hebben om vaardigheden - die zij op zich kennen en beheersen â flexibel toe te passen. EIM gaat ervan uit:
· Dat een training in concrete vaardigheden alleen niet voldoende is voor het vergroten van zelfstandigheid. Dergelijke trainingen moeten aangevuld worden met een training in algemene vaardigheden waarin cursisten leren na te denken over de manier waarop zij taken, situaties en onverwachte gebeurtenissen aanpakken en over alternatieven om deze aanpak te veranderen.
· Dat de manier waarop concrete vaardigheden veelal worden getraind een houding van aangeleerde hulpeloosheid bij cursisten in de hand werkt. Cursisten leren dat â om het goed te doen â zij moeten handelen op de manier die de trainer aanreikt. Om deze houding van aangeleerde hulpeloosheid te doorbreken moet houding van de trainer vooral coachend zijn.
· Dat de optimale instructie voor het trainen van algemene vaardigheden daarom is te kenmerken als âDirectief op denkniveau en non-directief op uitvoeringsniveauâ. Dit wil zeggen dat de trainer - op het moment dat de training van algemene vaardigheden aan de orde is - niet zegt wat cursisten moeten doen, maar ze vragen stelt met als doel ze te laten nadenken en hen leert op welke manier zij deze denkprocessen gestructureerd kunnen uitvoeren.
· Dat ook tijdens en na de training in algemene vaardigheden een houdingsverandering bij begeleiders essentieel is om cursisten de gelegenheid te geven het geleerde in de praktijk toe te passen. De houdingsverandering bij de dagelijkse begeleiding wordt aangestuurd vanuit de training van cursisten.
Wat leren cursisten tijdens een training in algemene vaardigheden?
Feitelijk leren ze op welke manier zij opdrachten, nieuwe situaties en onverwachte gebeurtenissen kunnen aanpakken. Tijdens de training krijgen zij heel verschillende concrete taken
en opdrachten. Bijvoorbeeld een deurslot monteren, een hacheemaaltijd voor 5 personen maken, een dag vrij vragen aan de werkleider, enzovoort. In de training algemene
vaardigheden gaat het niet in de eerste plaats om de betreffende opdracht. Elke opdracht is middel om cursisten te leren:

1. Oriënteren en plannen
Nadenken voor je begint over:
· Wat wil ik doen c.q. wat moet ik maken?
· Wat heb ik nodig om dat te doen c.q. maken?
· Hoe kan ik dat doen c.q. maken?
2. Uitvoeren en in de gaten houden hoe het gaat
Over je eigen schouder meekijken en nadenken over:
· Gaat het zoals ik heb bedacht?
· Moet ik mijn plan veranderen c.q. bijsturen?
· Maak ik fouten c.q. heb ik iets vergeten?
· Bij onverwachte problemen: ken ik dit probleem en kan ik het zelf oplossen of moet ik overleggen?
· Heb ik alle materialen overzichtelijk neergezet?
3. Controleren
Als je klaar bent: controleren en nadenken over:
· Is wat ik gemaakt heb c.q. gedaan heb goed?
· Is de manier waarop ik het heb aangepakt goed geweest?
· Wat kan ik de volgende keer nog verbeteren?
· Wat heb ik geleerd en waar kan ik dit nog meer toepassen?
Bovengenoemde leerpunten staan centraal in een cursus die op dit moment door de Stichting Molendrift (in samenwerking met het ROC Friesland College) wordt ontwikkeld voor werknemers van SW-bedrijven. Ook werkzoekenden die door een organisatie voor Begeleid Werken â de Stichting STAM in Heerenveen â begeleid worden, krijgen de gelegenheid deze cursus te volgen tijdens het toeleidingstraject naar een betaalde baan in het reguliere bedrijfsleven.
Voor de docenten die de training op het ROC Friesland College geven, gelden de volgende regels (die betrekking hebben op de instructie van de cursisten tijdens de lessen):
1. Taken zijn middel en geen doel op zich.
2. De cursist voert de taken uit als onderdeel van een leeropdracht. In een leeropdracht staat het leren (toepassen) van één van genoemde algemene vaardigheden bij de betreffende taak centraal.
3. De docent coacht het leerproces. Hij stimuleert de cursist zelf na te denken door:
· Het initiatief voor de uitvoering van de taak te leggen bij de cursist;
· De cursist de tijd te geven na te denken over de manier waarop hij de taak wil uitvoeren;
· De cursist de tijd te geven gemaakte fouten zelf te ontdekken en herstellen;
· De cursist vragen te stellen over de manier waarop hij de taak heeft aangepakt: waar hij op gelet heeft, wat hem is opgevallen, wat moeilijk was, enzovoort;
· De cursist te stimuleren alternatieven te bedenken voor de manier waarop hij de taak heeft aangepakt.
4. Als de cursist om hulp vraagt bij de uitvoering van de leeropdracht, reageert de docent door:
· Vragen wat het probleem is;
· Vragen of de leerling zelf al heeft nagedacht over een oplossing voor het probleem;
· Vragen of de leerling zelf (nog andere) oplossingen voor het probleem kan bedenken;
· De leerling meerdere alternatieven aan te reiken om het probleem op te lossen;
· De leerling een alternatieve oplossing te laten kiezen, deze vervolgens te laten uitvoeren en daarna na te bespreken hoe het gegaan is.
In de cursus worden bovengenoemde hoofdlijnen van het leermodel concreet uitgewerkt in â voor elke cursist â individuele leerroutes. Vanuit de cursus EIM worden voor elke cursist aandachtspunten geformuleerd. Die hebben betrekking op de dagelijkse werksituatie, met het doel de overgang van de cursus naar de werksituatie soepel te laten verlopen. Zo hoopt men de toepassing van het geleerde in de werksituatie te garanderen. Voor een belangrijk deel zijn deze aandachtspunten bedoeld voor werkleiders, zodat zij in de werksituatie optimaal gebruik kunnen maken van de dingen die de cursist heeft geleerd.
Toepassingen EIM in de praktijk Onder de naam EIM zijn inmiddels verschillende toepassingen in de praktijk bekend. Hierboven werd de belangrijkste toepassing op dit moment op hoofdlijnen beschreven: de cursus EIM voor SW-werknemers op het ROC Friesland College.
Op dit moment geldt het SW-bedrijf Delta in Zutphen als één van de belangrijkste voorbeelden van bedrijven waar EIM wordt toegepast. Delta heeft in de afgelopen jaren meerdere instellingen ondersteund bij het implementeren van het leermodel. Daarvan noemen we de â voorheen â Stichting Schroeder van der Kolk in Den Haag en verschillende SW-bedrijven in Friesland.
Tenslotte verdient de uitwerking van EIM binnen de methodiek van Begeleid Werken de aandacht. De auteur ontwikkelt op dit moment in opdracht van en in samenwerking met de Stichting STAM de zogenoemde STAM-methode. Deze methode van Begeleid Werken is geënt op dezelfde fundamenten als EIM.
Tot slot
EIM staat voor een leermodel dat inmiddels is uitgewerkt in verschillende toepassingen. Ten onrechte is de laatste jaren het idee ontstaan dat het bij EIM vooral zou gaan om een houdingsverandering bij begeleiders: âAls begeleiders mensen met een verstandelijke handicap maar de ruimte geven om na te denken, dan worden zij op den duur zelfstandiger, tonen zij meer initiatievenâ. Door de nadruk te leggen op de houdingsverandering bij begeleiders bestaat echter het gevaar dat EIM een dogma wordt: een kunstje dat altijd en overal moet worden toegepast. EIM is in de eerste plaats gericht op het trainen van vaardigheden bij mensen met een verstandelijke handicap. Het veranderen van de houding van begeleiders in de dagelijkse situatie gebeurt ter ondersteuning van die training.
EIM past binnen een nieuwe visie op mensen met een verstandelijke handicap en de zorg- en dienstverlening aan mensen met een verstandelijke handicap. Eén van de belangrijkste voorwaarden voor invoering van EIM binnen een bepaalde instelling is, zo blijkt, dat deze nieuwe visie door de hele instelling wordt gedragen en uitgedragen. Aan de invoering van EIM moet daarom altijd een kritische bezinning op de visie van de instelling voorafgaan. Daarbij is het belangrijk voor ogen te houden dat EIM op zichzelf geen visie is, maar een model dat past binnen een nieuwe traditie in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap.
Informatie over EIM is te verkrijgen bij onder meer:
Stichting Molendrift
Dr. J.T. Timmer
P/a Leusdenhof 228
1108 DJ Amsterdam
telefoon: 020 7702206 / 06 2457189
E-mail: [email]
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
origineel Alleen geregistreerde gebruikers kunnen reacties geven. Log in of registreer. Voeg toe aan favorieten (51) | Citeer dit artikel op je site | Views: 2380
Powered by AkoComment Tweaked Special Edition v.1.4.6 AkoComment © Copyright 2004 by Arthur Konze - www.mamboportal.com All right reserved
|