|
Deze site gaat over de vier domeinen van het leven waar we ons als mensen allemaal in bewegen: wonen - werken - vrije tijd. Burgerschap is het vierde overkoepelende domein. De vier domeinen overlappen elkaar. Werken zal de hoofdmoot uitmaken van deze site. Binnen dat domein zal de leerling zich in de toekomst het meest bewegen en in het VSO onderwijs besteden we daar in de bovenbouw de meeste tijd aan.Over arbeidstoeleiding van leerlingen op het praktijkonderwijs is al veel op het internet gepubliceerd. Het toeleiden naar werk van ZML en MG leerlingen is toch weer iets anders. De leerlingen stromen uit naar zowel AWBZ plaatsen, de sociale werkvoorziening als het vrije bedrijf. Thich Nhat Hanh: "Niets bestaat op zichzelf, alles bestaat in diepe onderlinge afhankelijkheid van al het andere". |
| De betekenis van leren voor mensen met een verstandelijke handicap |
|
|
|
| zondag 20 mei 2007 | ||||
De betekenis van leren voor mensen met een verstandelijke handicap - Prof. Dr. Ad van Gennep 1. Inleiding Namen voor dingen en verschijnselen zijn niet zo maar namen. Met die namen probeert men de kern van iets weer te geven. Zo wilde men bij voorbeeld met de naam oligofreen aangeven dat het ging om mensen die te weinig hersens hebben. Met de naam zwakzinnige wilde men duidelijk maken dat het om mensen ging bij wie de verstandszin zwak was. In Groot-Britannie bij voorbeeld noemt men personen met een verstandelijke handicap thans personen met âlearning disabilitiesâ hetgeen vertaald kan worden met personen met âleerproblemenâ. Dit sluit aan bij de Nederlandse namen âmoeilijk lerendeâ en âzeer moeilijk lerendeâ kinderen, die in de jaren zeventig van de 20ste eeuw de namen debiel en imbeciel gingen vervangen. 2. Ontwikkelingsvisie Deze opvatting, dat leerproblemen centraal staan bij personen met een verstandelijke handicap, kwam niet uit de lucht vallen. Ze vloeide voort uit een nieuwe visie op verstandelijke handicap, namelijk de ontwikkelingsvisie. Deze werd rond 1970 in Nederland geïntroduceerd.
In het begin lag de nadruk in de ontwikkelingstheorie nog sterk op groei en rijping. Maar in de jaren zestig van de 20ste eeuw ontdekte men, dat ontwikkeling ook afhankelijk is van leren onder invloed van de omgeving, met name opvoeding en onderwijs. Leren kwam toen centraal te staan in de ontwikkelingstheorie. 2.1 Ontwikkeling en leren Dit leidde er toe dat in de ontwikkelingstheorie de nadruk kwam te liggen op de veranderbaarheid van de ontwikkeling in een richting, die door het individu en de samenleving als gewenst worden gezien. Niet alleen de ontwikkeling van functies als waarnemen, denken, voelen, streven is belangrijk, maar ook de inhoud van de ontwikkeling, onder andere sociaal-culturele normen. 1. Signaal leren. Dit is de meest eenvoudige vorm van leren. Signaal leren houdt in dat kinderen op zeer jonge leeftijd al leren om bepaalde prikkels met bepaalde gevolgen te verbinden. Bij voorbeeld, het kind leert dat het klaarmaken van de fles wordt gevolgd door drinken. 2. Operationeel leren. Dit houdt in dat kinderen op jonge leeftijd leren bepaald gedrag met bepaalde reacties te verbinden. Bij voorbeeld, als het kind gaat huilen dan komt moeder met de fles om het kind te laten drinken; als het kind op het potje plast dan krijgt het een beloning; als het kind ongewenste dingen doet dan krijgt het straf. 3. Keten leren. Dit houdt in dat het kind een bepaalde vaardigheid leert die bestaat uit een aantal met elkaar verbonden achtereenvolgende of gelijktijdige gedragingen. Bij voorbeeld leren fietsen. 4. Verbaal leren. Het kind leert nu om woorden te verbinden met reacties. Bij voorbeeld als het kind wil drinken, dan hoeft het niet meer te gaan huilen maar kan het vragen om drinken door te zeggen âdrinkenâ. 5. Discriminatie leren met behulp van de taal. Het kind leert nu, dat het door bepaalde namen te noemen bepaalde reacties kan oproepen. Bij voorbeeld als het kind iets bepaalds wil drinken, dan kan het zeggen: âmelkâ, âcolaâ of iets dergelijks. 6. Begripsleren. Het kind leert nu dat namen niet alleen verwijzen naar concrete zaken, maar dat er ook namen zijn die bepaalde zaken naar abstracte aspecten samenvatten. Dit zijn begrippen. Bij voorbeeld het begrip âtoetjeâ verwijst niet alleen naar pudding, maar ook naar yoghurt, ijs of fruit. Het kind leert dan dat het begrip âtoetjeâ een abstracte samenvatting is van een gemeenschappelijk kenmerk, namelijk âiets eetbaar lekkersâ. 7. Het leren van principes en regels. Het kind leert nu de structuur van complexe samenhangen op begripsniveau. Bij voorbeeld als het kind het begrip âheetâ en het begrip âpijnâ heeft geleerd, dan kan het die twee begrippen verbinden tot het principe/ de regel âhete dingen doen pijnâ. Dit geldt niet alleen voor het drinken van hete thee, maar ook voor het aanraken van een hete kachel en voor het aanraken van een kaarsvlam. 8. Het leren oplossen van problemen. Het kind leert nu problemen op te lossen door hetgeen het al eerder geleerd heeft, toe te passen op een nieuw probleem. Bij voorbeeld het kind leert door toepassing van regels sommen op te lossen of bepaalde woorden goed te schrijven. Samenvattend: er is sprake van een hiërarchisch continuüm van elementair leren tot complex leren. Het succesvol doorlopen van meer eenvoudige vormen van leren is voorwaarde voor het complexe leren. 2.2 Leren en onderwijs Ter voorbereiding van het leren op de speciale school werd een leerstrategie ontwikkeld, waarbij de doeleinden werden ontleend aan de normale ontwikkelingsvolgorde en de methodiek aan de gedragsmodificatie. De volgorde van de te leren gedragingen was als volgt.
Het volbrengen van een taak moet telkens worden beloond (Hewett 1972). 2.3 Leren en omgeving In de loop van de jaren zeventig en tachtig ging men steeds meer de nadruk leggen op de betekenis van de omgeving voor het leren. Hierbij werd het normalisatieprincipe toegepast. Daarbij ging men er van uit dat een normalere situatie min of meer vanzelf leidde tot een betere ontwikkeling en tot beter leren. Ten onrechte. Een normalere situatie is weliswaar een belangrijke voorwaarde voor ontwikkeling en leren, maar is als zodanig geen voldoende voorwaarde. Het gevolg van deze misvatting was dat men steeds meer aandacht besteedde aan het normaliseren van de omgeving en steeds minder aandacht aan het stimuleren van het leren. Wie zich onder gewonere dan tot dan toe gebruikelijke omgevingsomstandigheden niet vanzelf ontwikkelde en niet vanzelf leerde, was daar niet aan toe, zo dacht men. Men beperkte zich dus tot het verbeteren van de omgevingsomstandigheden door deze te normaliseren maar ging niet over tot het actief stimuleren van het leren door bij voorbeeld onderwijs. De aandacht voor de ontwikkeling door leren verloederde. Dit noemt men thans ânormalizing to incompetenceâ. Veel personen met een verstandelijke handicap hebben als gevolg daarvan in hun kinder- en jeugdjaren maar ook in de jonge volwassenheid niets geleerd. Hun kennis en vaardigheden zijn daarom, nu ze volwassen zijn, geringer dan mogelijk was geweest. 3. Burgerschapsvisie In de loop van de jaren tachtig begon men in veel landen in te zien, dat het normalisatieprincipe in de praktijk maar half werd toegepast. De nadruk werd gelegd op de vorm en niet op de inhoud. Dit luidde in de meeste landen in de westerse wereld het einde van het normalisatietijdperk in. Nederland vormde hierop een uitzondering. Hier bleef men maar hakketakken over het wel of niet op grote schaal normaliseren. Deze discussie kreeg in de tweede helft van de jaren negentig een nieuwe impuls met de verschijning van het rapport over Community Care (1998). Dit riep echter zoveel verzet op, dat er in Nederland een krachtige tegenbeweging ontstond (Van Gennep, Van Hove, Van Loon 2003). Het gevolg van dit alles was, dat Nederland achterbleef bij de internationale ontwikkelingen. Dit geldt ook voor de met het normalisatieprincipe verbonden ontwikkelingsvisie. Deze stagneerde op het niveau van de jaren zeventig. In de meeste westerse landen ontstond een nieuwe visie die ik (Van Gennep 2000) de burgerschapsvisie heb genoemd (er bestaan ook andere namen voor deze visie, afhankelijk van wat men als het belangrijkste onderdeel van deze visie opvat: ondersteuningsvisie, kwaliteitsvisie, emancipatorische visie). De burgerschapsvisie bestaat uit een aantal onderdelen: 1. Emancipatie. Het begrip emancipatie is van oorsprong een pedagogisch begrip. Emancipatie in pedagogisch perspectief is gericht op een optimale ontwikkeling en op een gelijkwaardige positie in de samenleving van een persoon. Emancipatie heeft dus een individuele kant (namelijk de optimale ontwikkeling) en een sociale kant (namelijk de gelijkwaardige positie). 2.Kwaliteit van het bestaan. Het doel van de samenleving moet zijn het nastreven van een goede kwaliteit van het bestaan van iedere burger. Hieronder wordt verstaan: Zelf zo veel als mogelijk is vorm en inhoud geven aan het eigen bestaan volgens gewone (algemeen-menselijke) behoeften en volgens speciale behoeften voortvloeiend uit de aard van de beperkingen. 3. Ondersteuning. Het begrip ondersteuning vervangt het begrip zorg en wordt als volgt omschreven: hanteren van middelen en strategieën die er op gericht zijn om de ontwikkeling, opvoeding en onderwijs, de belangen en het welzijn van een persoon te bevorderen en het persoonlijke functioneren te verbeteren. Dienstverlening door professionals en instanties is een bepaald type ondersteuning. In de meeste westerse landen gaat men steeds meer werken in de lijn van de burgerschapsvisie waarin de positieve aspecten van voorgaande visies zijn opgenomen. Nederland bleef echter sterk achter bij de ontwikkelingen in de andere landen. 3.1 Empowerment Een gemeenschappelijk kenmerk van emancipatie, kwaliteit van het bestaan en ondersteuning is âempowermentâ. Dit begrip is afkomstig uit de burgerrechten- en emancipatiebewegingen van de jaren zeventig en betekent zo veel als âmensen meer macht geven, mensen sterker makenâ. Het ging er in deze bewegingen om dat mensen in achterstandsposities niet alleen werden gezien als ontvangers van âpsycho- sociale hulpâ maar ook als âdeskundigen in eigen zakenâ. Deze opvatting werd in die jaren door de pedagoog Paolo Freire in pedagogische begrippen en methoden vertaald (Freire 1972). Met zijn leermethode wilde Freire mensen in achterstandssituaties er toe brengen om hun eigen situatie als probleem te zien. Dit noemde hij âdialogisch lerenâ. Dialoog wordt hier opgevat als een horizontaal proces. Dat wil zeggen: de keuzes en prioriteiten van de betrokken mensen met betrekking tot wat er geleerd wordt, vormen de leidraad van het proces. Het gaat dus niet om een top-down leerproces waarin begeleiders âgevenâ, waarbij de betrokken personen worden onderschat; het gaat ook niet om een bottom-up leerproces waarin de betrokken personen alleen maar ânemenâ, waarbij deze personen worden overschat; het gaat om een âgeven-en-nemenâ. Empowerment is een meerlagig leerproces (Van Hove & Roets 2000, Theunissen 2002), dat zich afspeelt op vier niveaus: 1.Individueel niveau: het opzetten van een individueel opvoedings-, stimulerings-, ondersteunings- of toekomstplan samen met de betrokkenen. Het gaat hier om âpersoonlijke empowermentâ, ook wel vertaald in het pedagogische begrip zelfbepaling. Dit is een leerproces, waarin mensen in achterstandssituaties zich ontwikkelen tot meer (zelf)bewuste actieve burgers, die zich van hun eigen situatie bewust worden en hierin actie ondernemen. 2.Het groepsniveau: de opbouw, stimulering en ondersteuning van dragende sociale netwerken. Het gaat hier om âsociale empowermentâ, ook wel vertaald in het pedagogische begrip sociale participatie. Het is een proces waarin mensen die door individuele empowerment (zelf)bewuster zijn geworden, ook een betere positie willen gaan innemen in de sociale structuren waarin zij participeren. 3.Het structurele/ institutionele niveau: veranderingsprocessen die leiden tot medezeggenschap en democratisering in sociale structuren en instellingen. Het gaat hier om âstructurele empowermentâ, ook wel vertaald met het pedagogische begrip medezeggenschap in de structuren waarin men zich bevindt (wonen, werken, recreëren). 4.Het politieke niveau. Verwerving van een gelijkwaardige positie in de samenleving. Het gaat hier om âpolitieke empowermentâ, namelijk gelijke rechten op middelen om de achterstandssituatie op te heffen. Pedagogisch wordt dit vertaald in inclusie. Op het individuele niveau wordt dus in een dialogisch leerproces de basis gelegd voor het zelfbewuster en sterker maken van de betrokken persoon om mede hierdoor een betere positie te verwerven op groepsniveau, structureel/ institutioneel niveau en politiek niveau. Empowerment kan gezien worden als de kern van de ondersteuning. Het gaat om: Enerzijds een tegemoet komen aan de behoefte tot zelfbepaling en zelfdoen door reductie van sociale sturing en over-professionalisering en door terughoudendheid van de zijde van professionals; Anderzijds een tegemoetkomen aan de behoefte aan bescherming en hulp die voortvloeit uit organische beschadigingen en afwijkingen, door ondersteuning te geven bij zelf kiezen en zelf uitvoeren. In de regel gaat het niet om gestandaardiseerde leerplannen en symptoomgecentreerde leertherapieën, maar om open processen die zich afspelen in het spanningsveld van professionele bemoeienis en professionele terughoudendheid. Orthopedagogisch gezien gaat het om de volgende vormen van ondersteuning: 3.3 Empowerment als onderwijzen Vooral in de laatste twee vormen wordt duidelijk dat leren door onderwijs een belangrijk aspect is van empowerment. Enkele vormen van onderwijzen als aspect van ondersteuning zijn (De Vroey en Mortier 2002): 1. Thematisch leren. Het gaat hier om vakoverstijgende themaâs, waarbij contextgebonden en functionele opgaven op meerdere aspecten worden onderzocht. De leerlingen leren om zich vragen te stellen, verbanden te leggen en aangeleerde vaardigheden toe te passen. 2.Coöperatief leren. Met dit verzamelbegrip bedoelt men alle leerprocessen waarbij groeps- of leeftijdgenoten elkaar ondersteunen bij het verwerven van specifieke kennis en vaardigheden. Kenmerken van coöperatief leren zijn: wederzijdse afhankelijkheid om gemeenschappelijke taken uit te voeren; iedere leerling is verantwoordelijk voor het bereiken van de leerdoelen en iedere bijdrage telt; doelgerichte samenwerking in kleine groepen; systematisch leren van interpersoonlijke en groepsvaardigheden; systematische evaluatie van het functioneren van de leergroep. 3.Rekening houden met leerstijlen. Leerlingen verschillen in de wijze waarop zij informatie opnemen, verwerken en toepassen. Zij doen dat via één of meerdere kanalen, afhankelijk van bepaalde vormen van intelligentie (bij voorbeeld linguïstische, logisch-mathematische, ruimtelijk-visuele, kinesthetische, muzikale, interpersoonlijke, intrapersoonlijke, naturalistische intelligentie). 4.Sensitief-responsief onderwijs. Door het onderkennen van ieders tempo en behoeften vindt de leerkracht het gepaste aanbod. Door observatie leert de leerkracht de behoeften en motieven van leren van een bepaalde leerling kennen. Door hierop af te stemmen kan hieraan tegemoet worden gekomen (bij voorbeeld zinvolle leertaken, uitdagingen, bevestigen van ieders competentie, erkennen van eigenheid). 5.Gebruik van hulpmiddelen voor ondersteunde communicatie. Hierbij gaat het om symboolsystemen (bij voorbeeld pictogrammen), communicatieborden, persoonlijke communicator, personal computer. 4. Ten slotte In het voorgaande is gewezen op de betekenis van leren voor mensen met een verstandelijke handicap. Die handicap wordt onder andere gekenmerkt door algemene leerproblemen, hetgeen er toe leidt dat zij moeilijk of zeer moeilijk leren. De erkenning van deze leerproblemen leidde aanvankelijk tot de opvatting dat zij niet of slechts mechanisch konden leren: de nadruk lag op de beperkingen. Deze dialectische opstelling voorkomt dat eenzijdig de nadruk wordt gelegd op de ene of op de andere positie. Opvoeding en onderwijs hebben als opgave om de volgende generatie in te leiden in de culturele wereld van de huidige generatie met haar waarden, normen en tradities, en om aan deze volgende generatie tegelijk de vrijheid te geven om de vorm en inhoud van de huidige culturele wereld te veranderen. Opvoeding en onderwijs vinden dus plaats in het spanningsveld van acceptatie en willen veranderen, laten groeien en sturen, ondersteunen en tegenwerken, oriëntatie op het heden en oriëntatie op de toekomst (Weisz 2000). Het zal duidelijk zijn geworden dat leren in het kader van de burgerschapsvisie een andere betekenis heeft dan leren in het kader van de ontwikkelingsvisie. In het voorgaande heb ik die andere betekenis alleen beschreven. Ik ben niet ingegaan op het âwaaromâ van de andere manier van leren. Dat is een ander verhaal. Literatuur Beraadsgroep Community Care (1998). Leven in de lokale samenleving. Utrecht: NIZW
Alleen geregistreerde gebruikers kunnen reacties geven. Voeg toe aan favorieten (46) | Citeer dit artikel op je site | Views: 4429
Powered by AkoComment Tweaked Special Edition v.1.4.6 |
||||
| Laatst geupdate op ( dinsdag 26 juni 2007 ) | ||||
| < Vorige | Volgende > |
|---|