Skip to content

Increase font size Decrease font size Default font size default color orange color green color

Deze site gaat over de vier domeinen van het leven waar we ons als mensen allemaal in bewegen: wonen - werken - vrije tijd. Burgerschap is het vierde overkoepelende domein. De vier domeinen overlappen elkaar. Werken zal de hoofdmoot uitmaken van deze site. Binnen dat domein zal de leerling zich in de toekomst het meest bewegen en in het VSO onderwijs besteden we daar in de bovenbouw de meeste tijd aan.Over arbeidstoeleiding van leerlingen op het praktijkonderwijs is al veel op het internet gepubliceerd. Het toeleiden naar werk van ZML en MG leerlingen is toch weer iets anders. De leerlingen stromen uit naar zowel AWBZ plaatsen, de sociale werkvoorziening als het vrije bedrijf.
Deze site hoopt op den duur in de behoefte van leerkrachten en andere professionals om meer informatie voor deze specifieke groep te voorzien.Inspirerend en informerend, tot nadenken stemmend. Deze site is voor en door mensen in het veld gemaakt en natuurlijk voor iedereen hierin geïnteresseerd.   Ralph Burgemeestre      meer»

Thich Nhat Hanh: "Niets bestaat op zichzelf, alles bestaat in diepe onderlinge afhankelijkheid van al het andere".
U bent hier: Home
Kenniscentrum Jongeren met een arbeidshandicap en werk PDF Afdrukken E-mail
maandag 21 mei 2007

 

Wat interessante citaten uit: Kenniscentrum Jongeren met een arbeidshandicap en werk

Contourennotitie

© 2005 Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn / NIZW 

Aanleiding voor het kenniscentrum 

Mensen die jonggehandicapt zijn, kunnen moeilijk werk vinden. Door verschillende partijen en vanuit verschillende invalshoeken wordt geprobeerd de arbeidsintegratie voor deze groep te verbeteren. Door de Commissie het Werkend Perspectief (CWP) is geconstateerd dat de kennis over mogelijkheden en methoden van arbeidsintegratie zeer verspreid is en voor een deel niet is toegesneden op de doelgroep zelf.

Tevens worden lacunes in de informatievoorziening geconstateerd en is er bij relevante partijen in het werkveld onvoldoende kennis over wettelijke regelingen. Volgens de CWP is het in de huidige situatie van marktwerking niet mogelijk voldoende specifieke kennis over het begeleiden van jongeren met een arbeidshandicap te ontwikkelen en te delen. De CWP geeft een groot aantal adviezen, onder meer over het verruimen van het keuzeaanbod aan (re)integratiebedrijven, het inschakelen van andere leveranciers, bijvoorbeeld scholen, en over het inzichtelijk maken van prestaties van onder andere reïntegratiebedrijven. De CWP adviseert nadrukkelijk om een kenniscentrum op te richten voor het kunnen delen en ontwikkelen van kennis.

Het UWV heeft naar aanleiding van het CWP-advies het initiatief genomen voor de oprichting van een kenniscentrum ‘jongeren met een arbeidshandicap en werk’. Belangrijk voor het UWV zijn:  

• het opbouwen van relevante expertise en netwerken, het organiseren van de uitwisseling, verspreiding van kennis en benutting van verworven inzichten, het leveren van inbreng in maatschappelijke discussies;

• het benoemen van informatie- en kennislacunes, stellen van prioriteiten en vormgeven aan onderzoek;

• het zorgen voor een goede verbinding tussen leverancier en gebruiker van de kennis. 

Partijen die bij het primaire proces zijn betrokken dienen expliciet te profiteren van de kennis. Het kenniscentrum moet gericht zijn op betaald werk: ontwikkelingen in dagactiviteitencentra en binnen vrijwilligerswerk worden alleen meegenomen voor zover deze van belang zijn om betaald werk te kunnen bereiken. De (beoogde) gebruikersgroepen van het kenniscentrum zijn divers. De primaire belanghebbenden zijn de jongeren met een arbeidshandicap, de ouders (c.q. wettelijke vertegenwoordigers), het bedrijfsleven (werkgevers c.q. P&O-functionarissen), de gemeenten en andere uitvoeringsorganisaties ter ondersteuning van de inrichting en beoordeling van (re)integratietrajecten.
Hoewel het de bedoeling is om meerdere gebruikersgroepen te bedienen, dient voorop te staan dat de jongeren met een arbeidshandicap er uiteindelijk beter van worden en baat hebben bij het kenniscentrum. 

Welke jongeren? 

Het werkterrein van het kenniscentrum betreft jongeren afkomstig uit alle onderwijsniveaus die voor het vinden van werk extra individuele ondersteuning door professionals nodig hebben. Dit zijn zowel jongeren met een Wajong-uitkering als jongeren met een werkloosheids- of bijstandsuitkering, bij wie gezondheidsproblematiek in welke vorm dan ook van invloed is op de toetredingskansen op de arbeidsmarkt. Een voorbeeld hiervan zijn de werkloze jongeren bij wie psychische problemen de toegang of terugkeer naar de arbeidsmarkt belemmeren. De laatste jaren is er een enorme toename van het aantal jongeren met aanpassingsproblemen die kenbaar worden in gedrag. Deze keuze van het werkterrein maakt dat de doelgroep van het kenniscentrum groter is dan de groep die op basis van de REA-criteria als ‘arbeidsgehandicapt’ wordt aangemerkt.

De omvang van de groep ‘jongeren met een arbeidshandicap’ is niet bekend. Er zijn wel enkele gegevens over een belangrijk deel van de doelgroep: mensen met een Wajong-uitkering. Dit betreft in 2004 circa 140.000 personen, maar dat zijn niet allemaal jongeren. Bovendien is voor een deel van deze groep de ernst van de beperkingen zo groot, dat betaald werk voor hen geen reële optie lijkt. Het aantal jongeren met een arbeidshandicap dat jaarlijks de school verlaat en naar werk zoekt, bedraagt ten minste 10.000.1 

Enkele relevante CWP-bevindingen voor het kenniscentrum: 

• Het werkveld bestaat hoofdzakelijk uit de drie sectoren zorg, onderwijs en arbeid / sociale zekerheid. Sectoren in dit werkveld hebben onvoldoende kennis over specifieke noden en aanpak om de doelstelling van reguliere arbeid voor deze doelgroep te behalen.

• De professionals in en tussen deze sectoren vinden elkaar onvoldoende en de sectoren zijn beleidsmatig onvoldoende op elkaar afgestemd.

• Veel werkgevers zijn uit zichzelf onvoldoende bereid de jongeren in het arbeidsproces op te nemen of zijn zich er niet voldoende van bewust dat dit een aandachtspunt kan zijn.

• Er is relatief weinig aandacht voor zaken die verband houden met de continuïteit en het behoud van werk. De aandacht is sterk gericht op het verwerven van een baan. 

c Deskundigheid 

Het kenniscentrum dient een beeld te hebben van de gevraagde deskundigheden in het werkveld, moet tekortkomingen signaleren en opleidingen actief voeden met kennisontwikkelingen betreffende de relevante professies. Daar waar geschikte opleidingen ontbreken, is het kenniscentrum aanjager van nieuwe opleidingen.
In diverse segmenten van het werkveld wordt gewezen op onvoldoende deskundigheid. Binnen onderwijsopleidingen is er onvoldoende aandacht voor specifieke zaken die verband houden met het onderwijs aan en de begeleiding van jongeren met beperkingen. Deze constatering geldt ook ten aanzien van andere opleidingen voor andere terreinen: de ondersteuning door begeleidwerkenorganisaties en reïntegratiebedrijven, voor verzekeringsartsen, adviseurs bij het CWI-loket, bij P&O-functionarissen enzovoort. 

d Meer aandacht voor transitie

Het is van belang om het kenniscentrum in te zetten op het brede perspectief van transitie en vooral ook aandacht te besteden aan de raakvlakken met andere levensterreinen. Over die raakvlakken is weinig bekend. Er is nog weinig kennis over inhoudelijke aandachtspunten, over punten die te maken hebben met samenwerking en afstemming tussen levensterreinen, en ook niet over (eventuele) succes- en faalfactoren.

De overgang van school naar werk is voor jongeren een levensfase die zich kenmerkt door veel veranderingen. Ze zijn op weg naar een volwassen leven en moeten keuzen maken op het gebied van vervolgopleiding of werk, ze gaan relaties aan, willen zelfstandig gaan wonen, een inkomen en een sociale positie verwerven. Voor de meeste jongeren is het een fase waarin ze veel kansen krijgen hun eigen mogelijkheden te leren kennen en zich te ontwikkelen. Dit proces wordt ook wel ‘transitie’ genoemd. De praktijk wijst uit dat jongeren met een (arbeids)handicap specifieke ondersteuning nodig hebben om zich in gelijke mate als hun leeftijdsgenoten tot zelfstandige volwassene te kunnen ontwikkelen. 

Uit de praktijk blijkt ook dat de uitkomst van het transitieproces voor iedereen verschillend is, maar veelal de volgende elementen zal omvatten: 

• een betere kwaliteit van leven;

• een goede plek om te wonen, zo onafhankelijk mogelijk;

• financiële ondersteuning indien nodig;

• een goede baan of vervolgopleiding;

• medische zorg;

• vervoer en toegang tot werk en de samenleving/community;

• deelname aan de samenleving/community;

• self-advocacy;

• sociaal/seksueel leven. 

Op grond van die praktijk wordt ook aanbevolen om rond het veertiende levensjaar met het transitieproces te starten. Het ontbreken van een vroegtijdige en zorgvuldige planning voor een zelfstandig leven na de schoolperiode leidt tot uitsluiting van werk, inkomen, zelfstandige woonruimte en sociale contacten. De verantwoordelijkheid voor het in gang zetten van transitieactiviteiten wordt grotendeels bij het onderwijs gelegd en de activiteiten richten zich vooral op het vinden van werk. Het onderwijsveld heeft dus een belangrijke sleutelrol ten aanzien van transitie.

Er wordt nog relatief weinig vanuit transitieplannen gewerkt. In de zorg is men er – vanwege de traditie met behandelplannen en dergelijke – waarschijnlijk verder mee gevorderd dan in het onderwijs. Mede hierdoor is in de praktijk de wereld van arbeid nog sterk gescheiden van de andere werelden. Het is van belang om die verbindingen sterker te maken ten behoeve van het vergroten van de arbeidsmarktkansen van de jongeren. 

e Arbeidstoeleiding als vernieuwingsproces binnen het werkveld 

Het is belangrijk dat het kenniscentrum werkt vanuit het perspectief van een vernieuwingsproces en opbouw van ervaringskennis. Belangrijk is tevens om te kijken naar datgene wat een werkveld nodig heeft om de beoogde vernieuwingen te realiseren.

Sturing en coördinatie van dergelijke vernieuwingen blijft nu grotendeels achterwege. Bekeken moet worden welke taken hier voor het kenniscentrum liggen en in welke mate het hier om meer dan een aanjaagrol gaat.

Binnen de driehoek onderwijs, zorg en arbeid heeft arbeidstoeleiding het karakter van een vernieuwingsproces, waarin opbouw via ervaringskennis een belangrijke plaats inneemt. Het onderwijsveld, bijvoorbeeld, kent nadrukkelijke verschillen in tempo waarin scholen veranderingen doorvoeren en kennis over het toeleidingsproces opbouwen: sommige scholen verkeren nog in een beginstadium (pioniersfase), andere scholen zijn uitgegroeid tot professionele uitvoerders van arbeidstoeleiding. Een rol hierbij speelt dat arbeidsoriëntatie en arbeidsvoorbereiding nog geen wettelijke taken zijn voor VSO-scholen. 

De arbeidsgerichtheid binnen het VSO is nog onvoldoende aanwezig, maar wel groeiende. Scholen die zich in een pioniersfase bevinden, richten zich meestal op het schoolse traject en hebben een weinig toekomstgerichte benadering. Scholen die al wat verder zijn (groei- of uitbouwfase) werken vaak al op trajectmatige wijze maar zijn nog zoekende hoe zij het naschoolse traject (arbeid) vorm moeten geven. Vooral deze scholen hebben behoefte aan ondersteuning bij kennisopbouw en samenwerking. De scholen die inmiddels zijn uitgegroeid tot professionele uitvoerders hebben vaak al werkenderwijs veel ervaring opgedaan met arbeidstoeleiding en wat dat van een organisatie vraagt. Arbeid heeft hier vaak al een zelfstandige plaats binnen de opleiding in de vorm van een afdeling of instituut. De school is veelal onderdeel van een bredere werkorganisatie die zowel op het terrein van onderwijs als op het terrein van zorg (wonen) en arbeid actief is.
Het vernieuwingsproces heeft naast een inhoudelijke en innovatieve kant ook betrekking op mogelijkheden, middelen en deskundigheid om de benodigde organisatorische veranderingen door te voeren. Dit organisatorische perspectief wordt weinig gehanteerd. Er is momenteel geen goed beeld van de ‘draagkracht’ van het werkveld om transitie en arbeidstoeleiding vorm te geven. Onze indruk van het onderwijsveld is dat veel scholen in het speciaal onderwijs en praktijkonderwijs, vooral de kleinere zelfstandige scholen, hiervoor onvoldoende trekkracht (qua organisatievermogen en deskundigheid) kunnen mobiliseren.
Tegelijkertijd ontbreekt ook een beeld van wat hiervoor precies nodig is. Het is lastig sturen op veranderingen waarvan ook niet precies helder is hoe die eruit moeten zien. De arbeidstoeleiding vraagt bovendien vaak om investeringen in groepen jonggehandicapten van wie op voorhand nog niet duidelijk is onder welke condities een succesvol traject kan worden uitgestippeld. Er worden ook steeds meer projecten gestart voor groepen waarvan nog niet zo lang geleden werd gedacht dat betaald werk geen haalbare kaart zou zijn. Voorbeelden hiervan zijn mensen met autisme en mensen met niet-aangeboren hersenletsel.
Een en ander betekent dat er geen kant-en-klare recepten zijn, ook niet voor de overgang van school naar werk. Het is meer een kwestie van ervaringsdeskundigheid, al werkende weg expertise uitbreiden en vervolgens veel aandacht schenken aan / werk maken van kennis, en expertise delen en verspreiden. De behoefte aan kennis over de effectiviteit van benaderingen is groot. In de bestaande uitvoeringspraktijk van arbeidstoeleiding is er bij diverse instanties, zoals CWI en UWV, nog onvoldoende oog voor het soms experimentele karakter van trajecten. De geleidelijke uitbouw van ervaringsdeskundigheid betekent indirect ook dat er nog geen uitgekristalliseerde aanpak is voor veel groepen jongeren.
Jongeren worden hierover vaak niet goed geïnformeerd; het is belangrijk dat zij van de status van een aanpak op de hoogte zijn. 

f Financiering in relatie tot taken 

Het kenniscentrum dient als onafhankelijke organisatie de financieringsstructuur beter zichtbaar te maken, tekortkomingen te laten zien en vanuit zijn aanjaagrol en als pleitbezorger hiervoor aandacht te vragen en te onderbouwen wat nodig is. De begeleiding die jongeren met een beperking nodig hebben, ligt in veel gevallen zowelop het gebied van arbeid, als op de gebieden onderwijs, wonen (c.q. verblijf) en/of vrije tijd.

Deze gebieden zijn echter beleidsmatig van elkaar gescheiden (verschillende ministeries, wetgeving, uitvoerders en dergelijke). Subsidiestromen zijn niet goed op elkaar afgestemd en de financiering van de begeleiding die jongeren met een beperking nodig hebben, kan problematisch zijn. De kloof tussen wat in de diverse segmenten van het werkveld als nodig en hun morele verplichting wordt gezien en datgene wat wordt vergoed voor ondersteuning, wordt door velen als groot ervaren. Door de CWP is ook de nodige aandacht besteed aan diverse financieringszaken. Onze indruk is dat op het terrein van onderwijs en (re)integratie veel discussies worden gevoerd over kosten, prijzen enzovoort. zonder scherp zicht op de onderliggende taken en activiteiten en dus ook op de omvang van de problematiek. Er is meer transparantie nodig in de kostenstructuur van de uitvoeringsorganisaties (scholen enzovoort). Discussies over meer aandacht/prioriteit voor de doelgroep zijn lastig te voeren wanneer niet helder is in welke mate bestaande middelen (on)toereikend zijn. Ook op dit terrein is er duidelijk behoefte aan meer kennis.

 

 

Alleen geregistreerde gebruikers kunnen reacties geven.
Log in of registreer.


Voeg toe aan favorieten (40) | Citeer dit artikel op je site | Views: 1185

Schrijf als eerste een commentaar
RSS comments

Powered by AkoComment Tweaked Special Edition v.1.4.6
AkoComment © Copyright 2004 by Arthur Konze - www.mamboportal.com
All right reserved


Laatst geupdate op ( woensdag 23 mei 2007 )
 
< Vorige   Volgende >

Zoeken

Blijf bij de tijd ...

Login






Wachtwoord vergeten?
Nog geen account? Maak er één aan!

Poll

De site voorziet in een behoefte
 
ZML leerlingen moeten zoveel mogelijk betaald gaan werken
 

Wie is Online

We hebben 23 gasten online

RSS feeds