|
Deze site gaat over de vier domeinen van het leven waar we ons als mensen allemaal in bewegen: wonen - werken - vrije tijd. Burgerschap is het vierde overkoepelende domein. De vier domeinen overlappen elkaar. Werken zal de hoofdmoot uitmaken van deze site. Binnen dat domein zal de leerling zich in de toekomst het meest bewegen en in het VSO onderwijs besteden we daar in de bovenbouw de meeste tijd aan.Over arbeidstoeleiding van leerlingen op het praktijkonderwijs is al veel op het internet gepubliceerd. Het toeleiden naar werk van ZML en MG leerlingen is toch weer iets anders. De leerlingen stromen uit naar zowel AWBZ plaatsen, de sociale werkvoorziening als het vrije bedrijf. Thich Nhat Hanh: "Niets bestaat op zichzelf, alles bestaat in diepe onderlinge afhankelijkheid van al het andere". |
| Wonen en zo |
|
|
|
| dinsdag 22 mei 2007 | |||||
![]() Wat citaten uit: Wonen en zo... Ervaringen met herhuisvesting en wonen in kleinschalige woonvormen van mensen met een verstandelijke beperking in de provincies Utrecht en Gelderland
WoningStichting Buitenzorg (WSB) te Veenendaal heeft voor mensen met een verstandelijke beperking een woonproject in de samenleving gerealiseerd en wil voor toekomstige woon- en bouwprojecten duidelijkheid krijgen over bepalende factoren ten aanzien van de woonsatisfactie voor mensen met een verstandelijke beperking. Het proces van voorbereiding op de herhuisvesting, de inrichting van de nieuwe woning en de verhuizing worden daarbij getaxeerd als factoren, die vermoedelijk een rol spelen bij de woonsatisfactie. WoningStichting Buitenzorg heeft CHE-Transfer, onderdeel van de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) gevraagd om, in de provincies Gelderland en Utrecht, een onderzoek te doen naar ervaringen en tevredenheid met vormen van kleinschalig wonen in de samenleving. In dit onderzoeksrapport worden de achtergronden van wonen in de samenleving beschreven en de resultaten van reeds gehouden onderzoek. Vervolgens wordt beschreven hoe CHE-Transfer het Buitenzorg-Onderzoek heeft vormgegeven, uitgevoerd en wat hiervan de resultaten zijn. Traditioneel wonen mensen met een verstandelijke handicap in woongroepen in instellingen of in gezinsvervangende tehuizen. Sinds 1990 neemt in Nederland de deïnstitutionalisatie toe, bewoners van instituten gaan verhuizen naar woningen in de samenleving. Ook kiezen steeds meer mensen met een verstandelijke handicap er voor om alleen of samen met één of twee anderen, in een eigen woning te gaan wonen. Zij krijgen daarbij de ondersteuning die zij nodig hebben. De kwaliteit van het bestaan van deze mensen neemt hierdoor toe. De persoon met een verstandelijke handicap geeft namelijk zelf vorm en inhoud aan zijn bestaan. Men leeft onder gewone omstandigheden en volgens gewone patronen en men is tevreden met het eigen bestaan (Van Gennep, 2000). Uit onderzoek is bekend dat mensen zelf zeer tevreden zijn met het wonen in een eigen woning. âAls je op jezelf woont, kun je je eigen leven leiden en ben je je eigen baas. Het wonen in een eigen huis is gewoner en is leukerâ (Ruigrok, 2002). In een goede woonomgeving ontstaan kansen en worden mogelijkheden gecreëerd. Een goede omgeving en de juiste ondersteuning leidt tot een toename van de kwaliteit van het bestaan en tot verdere ontwikkeling (AAMR, 1992). Een eigen woning is daarbij een plek van waaruit je de omgeving ingaat om deze te verkennen en er aan deel te nemen. Het is de plek waar je terugkeert in veiligheid en geborgenheid, de plek waar je jezelf kunt zijn. O'Brien (1994) noemt drie dimensies van wonen: het gaat allereerst om thuisvoelen, zeggenschap en eigendom. De eigen woning is de plek waar je je thuisvoelt en waar je naar eigen inzicht een eigen leven kunt leiden. Er is zeggenschap over de gang van zaken in het huis en over de eventuele ondersteuning. Het hebben van een eigen huis in eigendom of huur geeft een gevoel van zekerheid en eigenwaarde. Het wonen in de samenleving wordt door de overheid als nieuw beleid ten aanzien van mensen met een verstandelijke handicap of een andere beperking gezien (Beraadsgroep Community Care, 1998). Mensen met een beperking of handicap worden steeds meer als burgers van de samenleving gezien, men spreekt wel van het burgerschapsparadigma (Van Gennep, 2000). Vanaf het begin van de trend van deïnstitutionalisatie is er onderzoek gedaan naar de effecten hiervan (Ruigrok, 2002). De resultaten zijn over het algemeen positief en tonen aan dat personen uit âeen instituutâ met succes meer zelfstandig in woonruimte in de samenleving kunnen wonen, en daarbij aangeven gelukkig te zijn. In kleinschalige woonsituaties is immers onder invloed van normalisatie sprake van toename van adaptieve vaardigheden en van het ontplooien van gewone, dagelijkse activiteiten. Uit onderzoeken bij de meest kleinschalige woonvormen liggen de succespercentages rond de 80%, waarbij onder succes wordt verstaan dat personen in de kleinschalige woonsituatie blijven wonen. In de buitenlandse literatuur blijkt uit de resultaten van onderzoeken naar kleinschalig wonen in de samenleving dat het thema, âverbetering van de kwaliteit van het bestaan en verbetering van het niveau van vaardighedenâ steeds terugkomt. Naast aandacht voor het succes van kleinschalig wonen en voor voorspellers van succes zoals vaardigheden en gedrag, is de aandacht verschoven naar de kwaliteit van het bestaan. Dus verschoven naar sociale netwerken, activiteitenpatronen, participatie in de samenleving, mate van keuzevrijheid, welzijn en tevredenheid. Daarbij concludeert Van Gennep (2000) op grond van literatuuronderzoek dat de kwaliteit van het bestaan van betrokkenen verbetert als aan deze punten gewerkt wordt en dat dit een belangrijk doel voor de hulpverlening is. Het leven in de samenleving kan voor betrokkenen vermindering of verdwijning van bepaalde gedragsproblemen tot gevolg hebben. Betrokkenen ontwikkelen zich als individuen en leiden in de samenleving een normaal leven waarbij zij gebruik maken van de beschikbare diensten. Betrokkenen zijn daarom meer tevreden en zij ervaren meer keuzevrijheid en regie over hun leven, meer participatie in/via activiteiten in de samenleving en meer bemoeienis met persoonlijke en huishoudelijke bezigheden. In Nederland is kleinschalig wonen ook geëvalueerd. Resultaten laten zien dat het wonen in sociowoningen tot een verhoging van het welbevinden leidt, dat kleinschaligheid een goed woonmilieu biedt en dat het een positieve invloed heeft op de kwaliteit van zorg. Hoewel de sociale integratie matig is, hebben mensen voldoende sociale contacten om sociaal isolement te voorkomen. Overkamp (2000) concludeert na onderzoek naar deconcentratie bij instellingen voor verstandelijk gehandicapten dat integratie niet vanzelf volgt op het gaan wonen in de samenleving. Het eerste onderzoek naar Ondersteund Wonen of Supported Living in Nederland is uitgevoerd door Van Gennep, Mucek en Timmermans (1995). Conclusie van het onderzoek van het project Ondersteund Wonen is dat er bij de meerderheid van de personen sprake is van succes. Er is sprake van keuzevrijheid voor de deelnemende personen en van vergroting van de sociale integratie door de betrokkenheid van een sociaal netwerk. De sociale redzaamheid, het gedrag en de woonvaardigheden verbeteren en de behoefte aan ondersteuning vermindert. Individueel Ondersteund Wonen heeft hiermee een meerwaarde in vergelijking met het traditionele wonen in groepsverband in gezinsvervangende tehuizen. Het uitgangspunt van Supported Living is dat met de nodige ondersteuning in principe iedere persoon met een verstandelijke handicap, die dat wenst, individueel kan wonen. Uit vervolgonderzoek blijkt bovendien een verbetering van de redzaamheid in het functioneren van de deelnemers. In de ondersteuning van het wonen vindt een verschuiving plaats van praktische naar sociaal-emotionele ondersteuning. Naarmate de cliënten langer op zichzelf wonen kan de ondersteuning verminderen. Ruigrok (2002) voerde een evaluatieonderzoek uit van Ondersteund Wonen of Supported Living. Daarvoor zijn de resultaten van Ondersteund Wonen vergeleken met de doelstelling daarvan. De aanname was dat er sprake is van succes van Ondersteund Wonen als de betrokkenen gedurende de onderzoeksperiode in de eigen woning bleven wonen, als zij in (woon)vaardigheden gelijk bleven of vooruitgingen en als zij zelf tevreden waren met het wonen. Daarnaast is er gezocht naar factoren die het succes van Ondersteund Wonen beïnvloeden. De resultaten van evaluatie laten vervolgens zien dat 96% van de onderzoeksgroep met succes ondersteund woont. Een groep van 12 tot 20% van de personen, die ondersteund woont, was tijdelijk matig succesvol. Doordat woonvaardigheden afnamen of doordat er sprake was van minder tevredenheid met de woonsituatie. Over het algemeen was er een stabiele situatie met betrekking tot woonvaardigheden, sociale redzaamheid, gedragsproblemen en tevredenheid. Uit de subjectieve evaluatiegegevens uit de interviews, blijken de cliënten zelf tevreden met deze vorm van wonen, waarbij zij gevarieerde dagelijkse activiteiten hebben en eigen keuzemogelijkheden ervaren. Het onderzoek naar factoren die van invloed zijn op het succes van Ondersteund Wonen laat zien dat een hogere score voor eenvoudiger redzaamheid (SRZ-P ZI), voor ervaring met zelfstandiger wonen met professionele begeleiding en binnen goede omstandigheden, zoals het hebben van werk en een sociaal netwerk en hobbyâs, de beste voorspellers zijn voor succes. Het onderzoek levert geen duidelijk beeld op van factoren die een negatieve invloed hebben. Het blijkt dat met voldoende, flexibele ondersteuning een uiteenlopende groep van mensen met een matige verstandelijke beperking met succes op zichzelf kan wonen, waarmee de uitgangspunten van Supported Living worden bevestigd voor deze onderzoeksgroep. In het tweede gedeelte van de evaluatie is gekeken of Ondersteund Wonen beter aan de doelstelling beantwoordt dan wonen in gezinsvervangende tehuizen. Het blijkt dat cliënten die vanuit gezinsvervangende tehuizen op zichzelf gaan wonen een ontwikkeling doormaken in woonvaardigheden. De sociale redzaamheid en het gedrag geven een verandering te zien. De tevredenheid van de cliënten is in de situatie van Ondersteund Wonen groter dan in het gezinsvervangende tehuis. Uit de interviews blijkt dat de cliënten zelfs significant meer tevreden met het Ondersteund Wonen zijn, waarbij zij significant meer dagelijkse activiteiten hebben en keuzemogelijkheden ervaren. De conclusie van dit onderzoek is dat Ondersteund Wonen of Supported Living een waardevolle woonvorm voor mensen met een matige verstandelijke beperking blijkt, waarbij de betrokken personen zelf aangeven tevreden te zijn met het wonen en de ondersteuning. Samenvatting resultaten huidige woonsituatie In dit hoofdstuk is de onderzoeksgroep beschreven en de huidige woonsituatie van deze personen. We hebben gezien dat er evenveel mannen als vrouwen aan het onderzoek meededen, met een gemiddelde leeftijd van 42 jaar. De helft van de onderzoeksgroep is tussen de 30 en 50 jaar oud. Mensen functioneren gemiddeld op een hoger niveau. Een kwart van hen woonde eerst nog bij de ouders en een kwart in een woonvoorziening of GVT. Anderen woonden in een dependance of sociowoning, een BZW project, een instituut of al zelfstandig. De meeste respondenten hebben werk, waarvan de helft fulltime. Mensen werken grotendeel bij de Sociale Werkplaats of een Dagactiviteitencentrum. Mensen hebben aangegeven de afgelopen periode wel wat problemen gehad te hebben. Uit de correlaties hebben we gezien dat mensen die in een groepje wonen over het algemeen minder zelfredzaam zijn en meer ondersteuning krijgen en minder keus ervaren. Mensen die samenwonen zijn het meest tevreden. Mensen zijn ook meer tevreden als de woning en de woonomgeving en de thuissituatie hoger scoort. Als mensen problematische situaties hebben meegemaakt zijn zij minder tevreden en beoordelen zij de huidige woonsituatie minder positief. Samenvattend aan het eind van deze paragraaf kunnen we zeggen dat de cliënten aangeven grotendeels tevreden te zijn met de huidige woonsituatie. Voor sommige personen zijn er nog wensen en is er nog verbetering van de situatie mogelijk. Samenvatting interviews en groepsgesprekken met cliënten Uit de persoonlijke gesprekken die met cliënten zijn gevoerd, komt het beeld naar voren dat mensen gevarieerde en voldoende activiteiten hebben, dat zij werk of dagbesteding hebben en daarnaast de nodige vrijetijdsbesteding via hobbyâs en clubs. Uit de activiteiten blijken participatie en sociale activiteiten en contacten. Op tevredenheid met wonen laten mensen een hoge score zien, waarbij op itemniveau nagegaan kan worden waar hoger en lager wordt gescoord. Men is het meest tevreden met de eigen mogelijkheden om het huishouden te doen, en het minst tevreden over de eigen gezondheid. Daarnaast geven mensen aan trots te zijn op zichzelf, zich veilig te voelen in hun huis en eigenlijk meer gezelligheid te willen en zich niet altijd de baas te voelen in de eigen woning. Dit zijn interessante resultaten die aanknopingspunten bieden ter verbetering. Het is zinvol inzicht te hebben in wat mensen belangrijk vinden bij het wonen. Het is opvallend dat men aangeeft te beslissen over het eigen leven, maar zich niet altijd in huis de baas te voelen. Dit moet te maken hebben met het feit dat personen in groepjes wonen. In de gesprekken hebben mensen aangegeven waarom ze wel of niet tevreden zijn met sommige zaken omtrent het wonen. Uit de gesprekken met cliënten over hun droom-woonsituatie klinkt door dat men over het algemeen de huidige woonsituatie waardeert. Er zijn wel wensen, bijvoorbeeld om bij familie en vrienden in de buurt te wonen, wensen over de inrichting en meubels, over een grotere kamer of samenwonen, of de wens om zelfstandiger te gaan wonen. Het is duidelijk: zoveel mensen, zoveel wensen. Het verschilt per individu wat iemand graag wil en wat bij hem of haar past. Wat voor de één ideaal is, levert voor een ander problemen op. Uit de reacties tijdens het interview komt dit goed naar voren: de één woont graag in een groep en voor een ander is het de grootste wens om nog zelfstandiger te kunnen gaan wonen. In dit onderzoek zijn we benieuwd hoe de ouders de huidige woonsituatie van hun kind beoordelen, en hoe zij het proces van herhuisvesting en verhuizing hebben ervaren. In de gesprekken met de ouders hebben zij aangegeven gemiddeld zeer tevreden te zijn met de huidige woonsituatie. Ouders zijn daarbij het meest tevreden over de inrichting van de woning, de medebewoners en het huis. Zij zijn het minst tevreden over de buren en vrienden en over de vrijetijdsbesteding en financiën van hun kind. Zij vinden de sociale contacten soms minimaal en op financieel gebied is het vaak allemaal erg krap of zijn volgens de ouders de financiële zaken binnen de organisatie niet duidelijk genoeg geregeld. Ouders waarderen het als hun kind in een woonwijk woont omdat daar leuke en waardevolle contacten kunnen ontstaan. Dit is echter lang niet altijd het geval. Ouders vragen zich af of kleinschalig wonen in de samenleving voor álle mensen met een verstandelijke beperking mogelijk is. De ouders waarderen de nieuwe situatie vergeleken met de vorige woonsituatie hoog. Zij geven hier hoge rapportcijfers voor, met een gemiddelde cijfer 8. Over het algemeen hebben de ouders het proces van herhuisvesting positief ervaren. Zij vinden dat hun kind erop is vooruitgegaan sinds de verhuizing naar een kleinschaliger woonvorm, een âzelfstandigerâ woonruimte of een woning in de wijk. Er is naar de wensen van de cliënt geluisterd. Tijdens het proces zijn de meeste ouders voldoende op de hoogte gehouden en zijn zij bij het proces betrokken. Andere ouders hadden het idee dat alles al besloten was of dat zij lang aan het lijntje zijn gehouden. Ouders vinden het belangrijk om voldoende te communiceren, bij een voortraject betrokken te worden en voldoende tijd te krijgen om alle mogelijkheden te overwegen. Voor veel ouders is het van belang dat er voldoende begeleiding in de buurt is, het liefst ook âs nachts. De ouders hebben niet veel contacten met de verschillende disciplines binnen de instelling, en vinden deze vraag niet zo van toepassing. Het lijkt erop dat ze dit meer iets voor de professionals vinden. Ouders hebben vooral contacten op woningniveau. Daar wordt over het algemeen goed geluisterd en daar voelen ouders zich serieus genomen. Een aantal mensen geeft aan ooit overwogen te hebben zelf een woonvorm op te zetten, maar dit leek velen een te complexe zaak. Er zijn overigens ook gesprekken gevoerd met ouders die een woning voor hun kinderen hebben gerealiseerd en die zijn hier heel positief over.
Alleen geregistreerde gebruikers kunnen reacties geven. Voeg toe aan favorieten (42) | Citeer dit artikel op je site | Views: 2131
Powered by AkoComment Tweaked Special Edition v.1.4.6 |
|||||
| Laatst geupdate op ( woensdag 23 mei 2007 ) | |||||
| < Vorige | Volgende > |
|---|