|
Deze site gaat over de vier domeinen van het leven waar we ons als mensen allemaal in bewegen: wonen - werken - vrije tijd. Burgerschap is het vierde overkoepelende domein. De vier domeinen overlappen elkaar. Werken zal de hoofdmoot uitmaken van deze site. Binnen dat domein zal de leerling zich in de toekomst het meest bewegen en in het VSO onderwijs besteden we daar in de bovenbouw de meeste tijd aan.Over arbeidstoeleiding van leerlingen op het praktijkonderwijs is al veel op het internet gepubliceerd. Het toeleiden naar werk van ZML en MG leerlingen is toch weer iets anders. De leerlingen stromen uit naar zowel AWBZ plaatsen, de sociale werkvoorziening als het vrije bedrijf. Thich Nhat Hanh: "Niets bestaat op zichzelf, alles bestaat in diepe onderlinge afhankelijkheid van al het andere". |
| Samenvatting werkwijze arbeidstoeleiding op de Alk/ de Ruimte |
|
|
|
| Geschreven door Ralph Burgemeestre | ||||
| donderdag 24 mei 2007 | ||||
De Alk noemde zich vroeger een samenwerkingsschool. Zij was het product van het samengaan van drie andere pijlers of zuilen: de protestant christelijke, de katholieke en de openbare zuil. Het VSO van de Alk kan zich nu weer met recht een samenwerkingsschool noemen omdat ze samenwerkt met vele geledingen in de samenleving. Instellingen voor dagbesteding, de sociale werkvoorziening en het bedrijfsleven via de stages van de oudste leerlingen, uitvoerende instanties zoals CWI en UWV, MEE , culturele en sportieve instellingen enz. Samenvatting werkwijze arbeidstoeleiding op de Alk/ de Ruimte In deze tijd past het om ook voor zml leerlingen "toekomstplannen" te maken. We leggen al in een vroeg stadium vast wat de toekomstverwachting wat betreft werk is. Hiervoor gebruiken we een assessement, dat een startdocument oplevert en een verwachte route uitstippelt. Op de Alk en de Ruimte streven we ernaar de leerlingen via verschillende stages naar werk toe te leiden. De leerlingen hebben werk wanneer ze de school verlaten. Werk binnen een van de uitstroomprofielen: AWBZ, SW of reguliere arbeid. Tijdens het 15e jaar van de leerling vindt er een onderzoek, een assessement plaats. Deze leeftijd is gekozen omdat de leerling dan nog geen stage loopt. (Rond deze leeftijd start de leerling op grond van de leeftijd in de leerwerkplaatsen op school (nu nog alleen de Alk). We spreken niet (meer) over â interneâ stages: de stage is een activiteit âbuitenâ de school. We nodigen de ouders/ verzorgers en de leerling uit voor een gesprek. We bespreken dan de toekomst verwachting van hen t.a.v. hun zoon/dochter/pupil. We hebben het over hobbyâs, vaardigheden, interesses en mogelijkheden, eventuele stages, ideeën enz. Ouders hebben voor het gesprek een formulier (digitaal) ingevuld over de competenties van hun kind. Hetzelfde hebben we de mentor en vakleerkrachten gevraagd om te doen. Het uitkomst (het gemiddelde) daarvan is het competentie-startdocument. Er wordt vastgesteld op welke leeftijd de leerling stage zal gaan lopen, op welk niveau en waar het best gestart kan worden (vertrekpunt). De nadruk ligt hierbij op de competenties van de leerling. âWaar is de leerling goed inâ is de vraag. Het assessement levert een startdocument op die de ontwikkeling (tot dan toe) van de leerling in kaart brengt. Een route-kaart naar passende arbeid. Hier staan dan o.a. de volgende aspecten van de leerling in: Aspecten Toekomstperspectief: Wie worden geconsulteerd: Leerling Deze route- kaart zal in het beste geval ook een leerling- volgsysteem zijn en misschien zelfs de huidige individuele handelingsplannen kunnen vervangen. Wanneer deze gegevens steeds bijgewerkt worden dan kunnen ze tevens de basis vormen voor het huidige eindrapportage, dat rond het 19e levensjaar wordt gemaakt en dat nodig is voor de aanvraag indicatie SW of indicatie dagbesteding.
De drie uitstroommogelijkheden:
Onze leerlingen stromen naar drie verschillende soorten werk uit. Ieder met zijn verschillende eisen en mogelijkheden. In de terminologie van de routekaart vormen zij de eindbestemmingen. Deze drie verschillende werkplekken stellen alle hun eigen eisen aan de competenties. Het reguliere bedrijf stelt de hoogste eisen en de AWBZ plekken de laagste. De eisen die bij de SW gesteld worden liggen ook een stuk lager dan bij het reguliere bedrijf. Zo kan een werknemer extra begeleiding, een aangepaste werkplek en aangepaste werktijden krijgen. Bovendien kan er gewerkt worden in het eigen tempo. Ook bij de verschillende SW-bedrijven lopen de al dan niet vereiste vaardigheden (competenties) uiteen. Bij een SW-bedrijf in de metaal zal je wat praktische vaardigheden, meer in huis moeten hebben dan op de inpak-afdeling van hetzelfde SW- bedrijf. Hoewel de eisen voor de verschillende soorten werk nogal uiteen liggen, willen we de leerling zo goed mogelijk voorbereiden, omdat het slagen van welke vorm van werken dan ook belangrijk is voor het gevoel van competentie van de leerling. We zetten hoog in, omdat nooit met zekerheid te zeggen en te voorspellen is welke groei een individu in de toekomst nog zal maken. (Een leven lang leren). Binnen het onderwijs zitten we midden in de uitvloeiselen van het burgerschapsparadigma. Maar daarnaast moeten we ook realistisch blijven en van sommige leerlingen van ons niet meer willen verwachten dan reëel is. Frank van Hoof zegt hierover reagerend op het boek van van Gennep over paradigmaâs van verstandelijke handicap. âEen paradigma dat aanstuurt op meer ruimte in de samenleving voor mensen met een verstandelijke handicap, niet alleen om te worden wie men nog niet is, maar ook om te zijn wie men al wel is. Dat zou een onthaastingsparadigma, een ontzakelijkingsparadigma of misschien wel een ontburgerlijkingsparadigma kunnen zijn.â[1] Wij streven er dan ook naar elke leerling te laten uitstromen naar zijn of haar mogelijkheden.
De stageBeroepsinteressetest en stagekeuze De broepsinteressetest die bij de leerling is afgenomen telt mee bij het zoeken naar de eerste stage. Deze test kan de volgende tien uitkomsten hebben:
Uitkomst 3 en 8 zijn in werkelijkheid geen plaatsen waar leerlingen van het zml- onderwijs zullen gaan werken. De test is dan ook ontwikkeld voor het praktijkonderwijs en niet specifiek voor het zml- onderwijs. De uitkomst van de test geeft niet altijd een reëel beeld van de werkelijke interesses van de leerling. âArbeidsinteressetests vooronderstellen dat mensen kennis hebben van werksoorten en op grond van deze kennis aan kunnen geven waar hun voorkeuren liggen. Als iemand echter niet weet wat een bepaalde afbeelding voorstelt, dan kan hij er ook niet beargumenteerd voor kiezen. Veel mensen met een verstandelijke beperking en zeker mensen die al jaren voor hun dagbesteding naar het DAC komen, hebben nooit of zelden werkervaringen opgedaan. Hun kennis van werk is dus heel beperkt. Het lijkt dus waarschijnlijker dat een arbeidsinteressetest meet wat Sander wel kent en wat niet en veel minder wat hij wel leuk vindt en wat niet.â[2] Er zijn veel dingen die op de achtergrond meespelen in het bepalen van de keuzes van de leerling. Zo moet de leerling in de AWITT test kiezen tussen twee plaatjes, waarop fotoâs van verschillende beroepen staan. Sommige leerlingen zullen kiezen voor het ene plaatje boven het andere plaatje omdat degene die voor de foto poseert sympathiek lijkt. Een foto met een hond, waar je een slechte ervaring mee hebt, zal tot gevolg kunnen hebben dat de leerling voor het andere plaatje en dus ander beroep kiest. Maar voorlopig is er geen andere test die een beter resultaat oplevert. âIn 2002 heeft het NIZW /Werk en Handicap landelijk een oproep gedaan informatie over instrumenten toe te sturen waarvan men gebruik maakt in de praktijk. Daarop zijn slechts enkele reacties binnengekomen. De reacties betroffen met name instrumenten om in te schatten in welke richting arbeidsinteresses van cliënten gaan en om een beeld te krijgen van de mate waarin de cliënt over relevante vaardigheden voor werk beschikt. Na bestudering van de toegezonden informatie en raadpleging van verschillende praktijkdeskundigen in een expertmeeting werd geconcludeerd dat er nog weinig instrumenten zijn, waarmee men geldige (valide) en betrouwbare informatie kan verzamelen. Op een enkel instrument na is geen van de instrumenten specifiek ontwikkeld voor het doel waarvoor ze gebruikt worden. De gebruikswaarde van deze instrumenten moet men daarom naar onze mening sterk relativeren.â Er volgt ook een uitgebreid gesprek met de leerling over zijn/ haar eigen idee van een stageplek.
Er wordt uitgelegd wat het verschil uit tussen werken en stage lopen. Te hoog gestelde verwachtingen worden bijgesteld en de mogelijkheden en onmogelijkheden worden duidelijk aangegeven. Sommige leerlingen kiezen namelijk voor beroepen, waar een grondige beroepsopleiding aan vooraf dient te gaan. Deze leerlingen hebben dus niet een reëel beeld van hun eigen mogelijkheden. De leerling wordt duidelijk gemaakt dat stageplekken niet per definitie arbeidsplekken worden, maar dat het plekken zijn om ervaring op te doen. Plekken om te leren. Door de leerlingen in een bedrijf of instelling stage te laten lopen ontwikkelt de leerling zich en krijgt het de mogelijkheid tot leren en kiezen. De eerste stage is meestal een oriënterende stage en is vaak een stage die de leerling graag zelf wil. Een vervolgstage kan er geheel anders uitzien dan de eerste stage. Dit aan de hand van de bevindingen van de eerste stage. Als er een stageplek gekozen en geregeld is volgt een rondleiding op de stageplek. Kennismaking met de begeleider op de werkvloer. Leerlingen van onze school zijn er bij gebaat dat hij/ zij op de werkvloer een vast aanspreekpunt heeft. Bij deze âmentorâ of begeleider kan hij of zij terecht met vragen. Onze leerlingen zijn gebaat bij duidelijkheid. Dat wil zeggen: een duidelijke omschrijving van de werkzaamheden en de geldende regels. Onze leerlingen leren langzamer en hebben vaak extra herhaling nodig voor ze begrijpen wat er wordt bedoeld en wat er van hen word verlang. Er worden afspraken gemaakt over duur, werkzaamheden en werktijden. Tot slot wordt het stagecontract getekend. Nadat via het assessement vastgesteld is of de leerling stagerijp is en op welk niveau er gestart gaat worden kan de leerling stage gaan lopen.
Omdat de stageplek ook vooral een leer- en ervaringsplaats is, zal de leerling zich kunnen ontwikkelen en daardoor beter voorbereid en toegerust zijn op een toekomstige werkplaats. Onderzoeksdoelen voor school
Een van de doelen voor school is uiteindelijk duidelijk(er) te krijgen of de leerling richting arbeid, sociale werkvoorziening of awbz- bekostigde instellingen dient te gaan. Kortom: Het bepalen van niveau en richting De stageperiode duurt in principe een half jaar, maar deze periode kan met half jaar worden verlengd als de leerling dit wil. Bij het stagelopen gaat het om de âvormingâ van de leerlingen. Er is sprake van leren in een bedrijf. Wanneer het vervoer door ouders of verzorgers geregeld is en het stagecontract door alle betrokkenen is getekend, dan gaat het licht op groen en kan de stage beginnen. Veel leerlingen gaan op eigen gelegenheid naar hun stage. School bevordert dit in het kader van zelfstandigheid en zelfredzaamheid, indien de stageplaats te befietsen is en de leerling âverkeers-veiligâ is. Wie gaan er stage lopen? Alle leerlingen gaan stage lopen. Sommige leerlingen eerder dan anderen. De leerlingen, die vermoedelijk naar de AWBZ plekken zullen uitstromen vanaf hun 18e jaar. Leerlingen die of naar de SW of het vrije bedrijf zullen uitstomen vanaf hun 17e jaar. Sommige van deze leerlingen starten op een AWBZ plek, wanneer het einddoel niet helemaal duidelijk is. Wanneer het duidelijk is wat het niveau is en naar wat voor soort werk de leerling graag wil uitstromen, zoeken we ( in overleg met de ouders) naar een laatste stage: plaatsingsstage. We bespreken de mogelijkheid van instroom met de stageplek (AWBZ, SW of reguliere arbeid) en wanneer dat na een succesvolle stage in principe mogelijk is, gaat dat laatste traject in. Op het moment is de plaatsingsstage op de Alk een succesverhaal. Iedere leerling, die echt wist wat hij of zij wilde en die keus had gestoeld op zijn of haar mogelijkheden, heeft daar werk in kunnen krijgen. De laatste twee jaar hebben we alle leerlingen rechtstreeks vanuit school, via een plaatsingsstage aan werk geholpen. Dit jaar is een leerling via school bij Pluswerk aangemeld, die in samenwerking met school de leerling alsnog bij een plek van zijn keuze aan de slag zal proberen te krijgen. De school werkt samen met 23 zorginstellingen, 7 SW bedrijven en 63 reguliere bedrijven. MEE, UWV, Pluswerk, Centrum begeleid werken, ATC Amstelduin om dit resultaat te verkrijgen. Ralph Burgemeestre (stagecoördinator van de Alk en de Ruimte) [1] Frank van Hoof, Socioloog en psycholoog, beleidscoördinator Stichting Humanitas voor dienstverlening aan mensen met een handicap, Nieuwegein. [2] Op weg naar werk. Leidraad voor ondersteuning en assessment. Utrecht: NIZW Johan Timmer en Anneke Mulder (2003).
Alleen geregistreerde gebruikers kunnen reacties geven. Voeg toe aan favorieten (53) | Citeer dit artikel op je site | Views: 1494
Powered by AkoComment Tweaked Special Edition v.1.4.6 |
||||
| Laatst geupdate op ( zaterdag 09 juni 2007 ) | ||||
| < Vorige |
|---|