Rechten van mensen met een verstandelijke handicap
De 'Verklaring van de Rechten van Personen met een Verstandelijke Handicap' zoals aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 december 1971 te New York luidt als volgt:
"De Algemene Vergadering,
Indachtig de plechtige belofte van de Lidstaten van de Verenigde Naties ingevolge het Handvest gezamenlijk en afzonderlijk in samenwerking met de Organisatie hogere levensstandaarden, arbeid voor allen en voorwaarden voor economische en sociale vooruitgangen ontwikkeling te bevorderen,
Opnieuw bevestigend hun vertrouwen in de rechten van de mens en de grondvrijheden, alsmede in de beginselen van vrede, van de waardigheid en de waarde van de mens en van sociale rechtvaardigheid zoals deze in het Handvest zijn verkondigd,
In herinnering brengend de beginselen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de internationale verdragen inzake de Rechten van de Mens, de verklaring van de Rechten van het Kind en de normen inzake sociale vooruitgang die reeds zijn neergelegd in de statuten, conventies, aanbevelingen en resoluties van de Internationale Arbeidsorganisatie, de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, de Wereldgezondheidsorganisatie, het Kinderfonds van de Verenigde Naties en andere betrokken organisaties,
Wijzend op het feit dat de verklaring inzake Sociale Vooruitgangen Ontwikkeling verkondigt dat het noodzakelijk is de rechten van verstandelijk en/of lichamelijk gehandicapten te beschermen en hun vaardigheden op verschillende gebieden te ontwikkelen, hun integratie in het normale leven zo veel als mogelijk is te bevorderen,
Zich ervan bewust dat sommige landen zich in hun huidige stadium van ontwikkeling slechts beperkte inspanningen in deze richting kunnen getroosten,
Proclameert deze Verklaring van de Rechten van de Verstandelijk Gehandicapten en dringt aan op het nemen van nationale en internationale maatregelen die erop zijn gericht dat deze Verklaring wordt aangewend als een gemeenschappelijke grondslag en als gemeenschappelijk referentiekader voor de bescherming van deze rechten:
1. De verstandelijk gehandicapte persoon geniet zo veel als doenlijk dezelfde rechten als andere mensen.
2. De verstandelijk gehandicapte persoon heeft recht op behoorlijke medische verzorging en fysische therapie, en op zodanige opvoeding, training, revalidatie en begeleiding, dat deze hem in staat stellen zijn vaardigheden te ontwikkelen en zijn potentiële mogelijkheden tot ontplooiing te brengen.
3. De verstandelijk gehandicapte persoon heeft recht op economische zekerheid en op een behoorlijke levensstandaard. Hij heeft het recht productieve arbeid te verrichten of zich bezig te houden met ander zinvol werk in de mate die zijn vermogens hem toestaan.
4. Indien mogelijk, dient de verstandelijk gehandicapte persoon in zijn eigen gezin te wonen of in een pleeggezin, en deel te nemen aan verschillende vormen van maatschappelijk leven. Het gezin waarvan hij deel uitmaakt, dient bijstand te ontvangen. Indien opname in een instelling noodzakelijk is, dient dit te geschieden in een omgeving en onder omstandigheden die een normaal leven zo dicht mogelijk benaderen.
5. De verstandelijk gehandicapte persoon heeft recht op bijstand van een bevoegde curator, indien dit ter bescherming van zijn persoonlijk welzijn en zijn persoonlijke belangen noodzakelijk is.
6. De verstandelijk gehandicapte persoon heeft recht op bescherming tegen uitbuiting, misbruik en onterende behandeling. Indien hij voor enig delict gerechtelijk wordt vervolgd, heeft hij recht op een behoorlijke rechtsgang, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de mate van zijn toerekeningsvatbaarheid.
7. Indien verstandelijk gehandicapte personen vanwege de ernst van hun handicap niet in staat zijn al hun rechten op behoorlijke wijze uit te oefenen, of indien het noodzakelijk is enige of al deze rechten te beperken of hun deze te ontzeggen, dan dient de procedure waarbij dit geschiedt passende wettelijke waarborgen te bevatten tegen elke vorm van misbruik. De procedure dient te zijn gebaseerd op een beoordeling door bevoegde deskundigen van de sociale vermogens van de verstandelijk gehandicapte persoon; zij dient periodiek te worden herzien en vatbaar te zijn voor hoger beroep".
Alleen geregistreerde gebruikers kunnen reacties geven. Log in of registreer. Voeg toe aan favorieten (44) | Citeer dit artikel op je site | Views: 2201
Powered by AkoComment Tweaked Special Edition v.1.4.6 AkoComment © Copyright 2004 by Arthur Konze - www.mamboportal.com All right reserved
|